Deut. 4, 32-34 + 39-40 / Rom. 8, 14-17 / Mat. 28, 16-20
De Vader was en is van in het begin. Hij heeft alles geschapen en alles is in Hem. Naar zijn beeld en gelijkenis zijn wij geschapen.
In zijn Zoon is Hij mens geworden, om ons allen persoonlijk te komen aanspreken, aanraken. In Christus heeft Hij de wereld verlost door met Hem de liefde te gaan tot het uiterste om het licht van de Opstanding te schenken aan ieder van ons.
De Geest heeft Hij geschonken om ons in staat te stellen de Zoon te ontmoeten, om met Hem, in Hem en door Hem zijn heilige liefde te belichamen.
Van Woord naar leven
Archief
zaterdag in week 8 door het jaar
Jud. 17.20b-25 / Mc. 11, 27-33
Toen Jezus zich in de tempel ophield, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? Wie heeft U het recht gegeven om zo te handelen?’
Wat deed Jezus dan ?
Kopers en verkopers van het tempelplein afjagen, tafels van geldwisselaars omver werpen, stoeltjes van duivenverkopers omver gooien, verbieden iets over het tempelplein te dragen,...
Met welke bevoegdheid ? Met wie zijn volmacht ?'Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde', lezen we bij Matteüs in hfst 28.
Of bij Marcus al in het eerst hfst: 'Hij sprak niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag heeft'.
Of elders: 'Voorwaar voorwaar, Ik zeg u...'. Of gewoon: 'Maar Ik zeg u'.
Het is waar omdat Hij het zegt, Hij die gezegd heeft de weg, de waarheid en het leven te zijn.
In zijn spreken, in zijn Ik, zit een inwendige zekerheid, een inwendige macht, de macht van de heilige Geest.
Wat als Hij nu zo eens iets doet in ons eigen hart ?
Een inwendige tempelreiniging zeg maar.
Zo'n innerlijke reiniging kan allerlei vormen aannemen.
Als we zorgen hebben kan Hij ons op een gegeven ogenblik zeggen: 'Wees niet bezorgd, Ik ben er toch, Ik ben er voor u, Ik heb zorg voor u. Ik zal uw zorgen met u dragen, je bent echt niet alleen in het dragen van je zorg.'
Of als het niet meer gaat, kan Hij inwendig zeggen: 'Ik ben er ook nog, je vergeet me. Probeer innerlijk wat rustig te worden en richt je tot mij die in je woont. Verenig je met mij opdat je rust en licht vindt in God.'
Of als we dragers van haat zijn, moeilijk kunnen vergeven, dan kan Hij vanbinnen zeggen: 'Kom naar mij, jij die dat niet uit jezelf kunt, laat me u tot mij nemen opdat Ik je hart van steen kan veranderen in een hart van vlees, opdat er leven en verzoening uit mag voortvloeien. Geef je aan mij.'
Of als het gebed droog en duister is: 'Wees trouw, je dorheid dient niet tot niets, Ik maak je enkel gratuïet in de liefde, Ik maak je volwassen in het geloof; een geloof dat niet steunt op sentiment maar op pure liefde, op naakt geloof.'
Enz.
Zo kan Jezus de hele dag, van de vroege morgen tot de late avond, bezig zijn de tempel van ons hart te reinigen.
Laten we goede luisteraars worden van ons geweten; de plek waar God ons zichzelf wil tonen, onszelf in een spiegel plaatst, ons wil reinigen, ten diepste genezen.
Toen Jezus zich in de tempel ophield, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? Wie heeft U het recht gegeven om zo te handelen?’
Wat deed Jezus dan ?
Kopers en verkopers van het tempelplein afjagen, tafels van geldwisselaars omver werpen, stoeltjes van duivenverkopers omver gooien, verbieden iets over het tempelplein te dragen,...
Met welke bevoegdheid ? Met wie zijn volmacht ?'Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde', lezen we bij Matteüs in hfst 28.
Of bij Marcus al in het eerst hfst: 'Hij sprak niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag heeft'.
Of elders: 'Voorwaar voorwaar, Ik zeg u...'. Of gewoon: 'Maar Ik zeg u'.
Het is waar omdat Hij het zegt, Hij die gezegd heeft de weg, de waarheid en het leven te zijn.
In zijn spreken, in zijn Ik, zit een inwendige zekerheid, een inwendige macht, de macht van de heilige Geest.
Wat als Hij nu zo eens iets doet in ons eigen hart ?
Een inwendige tempelreiniging zeg maar.
Zo'n innerlijke reiniging kan allerlei vormen aannemen.
Als we zorgen hebben kan Hij ons op een gegeven ogenblik zeggen: 'Wees niet bezorgd, Ik ben er toch, Ik ben er voor u, Ik heb zorg voor u. Ik zal uw zorgen met u dragen, je bent echt niet alleen in het dragen van je zorg.'
Of als het niet meer gaat, kan Hij inwendig zeggen: 'Ik ben er ook nog, je vergeet me. Probeer innerlijk wat rustig te worden en richt je tot mij die in je woont. Verenig je met mij opdat je rust en licht vindt in God.'
Of als we dragers van haat zijn, moeilijk kunnen vergeven, dan kan Hij vanbinnen zeggen: 'Kom naar mij, jij die dat niet uit jezelf kunt, laat me u tot mij nemen opdat Ik je hart van steen kan veranderen in een hart van vlees, opdat er leven en verzoening uit mag voortvloeien. Geef je aan mij.'
Of als het gebed droog en duister is: 'Wees trouw, je dorheid dient niet tot niets, Ik maak je enkel gratuïet in de liefde, Ik maak je volwassen in het geloof; een geloof dat niet steunt op sentiment maar op pure liefde, op naakt geloof.'
Enz.
Zo kan Jezus de hele dag, van de vroege morgen tot de late avond, bezig zijn de tempel van ons hart te reinigen.
Laten we goede luisteraars worden van ons geweten; de plek waar God ons zichzelf wil tonen, onszelf in een spiegel plaatst, ons wil reinigen, ten diepste genezen.
vrijdag in week 8 door het jaar
1 Pet. 4, 7-13 / Mc. 11, 11-25
Petrus zegt ons vandaag in de eerste lezing: 'Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt.'
De meeste van ons, laat ons eerlijk zijn, praten van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Als we dan al eens zwijgen is het omdat we alleen zijn. Maar van zodra we met anderen zijn hebben we de neiging om te praten en niet meer op te houden.
En, ja, we zullen maar weer eerlijk zijn, wat er uit onze mond komt is niet altijd even edel. We roddelen graag, hebben snel een oordeel klaar over het gedrag van anderen, en zitten voortdurend jan en alleman met elkaar te vergelijken, en nog liefst met onszelf.
De doorsnee mens praat nu eenmaal graag over anderen... of eigenlijk over zichzelf...
En ook al mag dit heel menselijk zijn... dikwijls haalt het ons samen-zijn met elkaar naar omlaag.
Petrus vraagt, wanneer we praten, om Gods woorden te laten doorklinken in wat we zeggen.
Moeten we dan altijd over God, het evangelie of de Kerk praten ?
Nee, heel zeker niet, hoewel dit natuurlijk af en toe wel mag !
Maar als we praten met anderen, waken we er dan over dat we de ander niet neerhalen, dat ons gesprek opbouwend is voor het samen-zijn, dat we misschien verzoening tot stand kunnen brengen, dat onze humor het leven écht zonnig maakt voor elkaar en niet neerhaalt doorheen platvloerse grappen, enz...
Net zoals alles is ook onze tong een gave Gods.
Laten we haar goed gebruiken, als een instrument waarmee we het goede van God tot bij elkaar kunnen brengen.
Petrus zegt ons vandaag in de eerste lezing: 'Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt.'
De meeste van ons, laat ons eerlijk zijn, praten van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Als we dan al eens zwijgen is het omdat we alleen zijn. Maar van zodra we met anderen zijn hebben we de neiging om te praten en niet meer op te houden.
En, ja, we zullen maar weer eerlijk zijn, wat er uit onze mond komt is niet altijd even edel. We roddelen graag, hebben snel een oordeel klaar over het gedrag van anderen, en zitten voortdurend jan en alleman met elkaar te vergelijken, en nog liefst met onszelf.
De doorsnee mens praat nu eenmaal graag over anderen... of eigenlijk over zichzelf...
En ook al mag dit heel menselijk zijn... dikwijls haalt het ons samen-zijn met elkaar naar omlaag.
Petrus vraagt, wanneer we praten, om Gods woorden te laten doorklinken in wat we zeggen.
Moeten we dan altijd over God, het evangelie of de Kerk praten ?
Nee, heel zeker niet, hoewel dit natuurlijk af en toe wel mag !
Maar als we praten met anderen, waken we er dan over dat we de ander niet neerhalen, dat ons gesprek opbouwend is voor het samen-zijn, dat we misschien verzoening tot stand kunnen brengen, dat onze humor het leven écht zonnig maakt voor elkaar en niet neerhaalt doorheen platvloerse grappen, enz...
Net zoals alles is ook onze tong een gave Gods.
Laten we haar goed gebruiken, als een instrument waarmee we het goede van God tot bij elkaar kunnen brengen.
Bezoek Maria Elisabet / 31 mei
Sef. 3, 14-17 / Luc. 1, 39-56
De overweging van vandaag is ontleend aan het boek 'Christus ontmoeten in het getijdengebed - Spiritualiteit van de liturgie der Getijden', in de reeks 'Schrift en Liturgie', nr 18, uitgegeven door de Benedictinessen van Bonheiden, 1992, blz. 151-152
Maria's lied van deemoed en lofprijzing, van overgave en dankbaarheid om wat God, getrouw aan zijn belofte, heeft gedaan, is het avondlied van de Kerk (het wordt telkens bij de completen - het avondgebed - gezongen).
Het was Ambrosius, de bisschop van Milaan, die in zijn commentaar op het Lucas-evangelie over het Magnificat schreef: "Moge de ziel van Maria in ieder van ons zijn om de Heer te verheerlijken, moge de geest van Maria in ieder van ons zijn om zich in de Heer te verheugen". De genade die Maria ontvangen heeft, laat zij door zich heen stromen, onafgebroken en onbelemmerd.
"Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen": de zaligprijzing van de hemel in de mond van de engel vond een echo in de groet van Elisabet om dan voorgoed overgenomen te worden door het koor van alle geslachten. Bij dit koor dat de eeuwen omspant, voegen ook wij ons elke avond weer.
Maria staat in het hart van de heilsgeschiedenis. De oude liederen van haar volk zijn uitgemond in haar lied en haar Hooglied is het nieuwe lied geworden van de Kerk.
Als wij instemmen met Maria's lied, gaan wij staan in die stroom van heil, ontsprongen aan haar unieke begenadiging. Haar begenadiging omvat ons allen, zoals ook haar danklied ons allen insluit. Maria biedt aan het mensgeworden Woord de dankbaarheid en de vreugde van heel de schepping aan.
Maria, de nederigste onder de mensen, draagt het gebed van heel de Kerk. Altijd is Maria, oerbeeld en begin van de Kerk, de eerste in het lof- en dankgebed van het Godsvolk.
De overweging van vandaag is ontleend aan het boek 'Christus ontmoeten in het getijdengebed - Spiritualiteit van de liturgie der Getijden', in de reeks 'Schrift en Liturgie', nr 18, uitgegeven door de Benedictinessen van Bonheiden, 1992, blz. 151-152
Maria's lied van deemoed en lofprijzing, van overgave en dankbaarheid om wat God, getrouw aan zijn belofte, heeft gedaan, is het avondlied van de Kerk (het wordt telkens bij de completen - het avondgebed - gezongen).
Het was Ambrosius, de bisschop van Milaan, die in zijn commentaar op het Lucas-evangelie over het Magnificat schreef: "Moge de ziel van Maria in ieder van ons zijn om de Heer te verheerlijken, moge de geest van Maria in ieder van ons zijn om zich in de Heer te verheugen". De genade die Maria ontvangen heeft, laat zij door zich heen stromen, onafgebroken en onbelemmerd.
"Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen": de zaligprijzing van de hemel in de mond van de engel vond een echo in de groet van Elisabet om dan voorgoed overgenomen te worden door het koor van alle geslachten. Bij dit koor dat de eeuwen omspant, voegen ook wij ons elke avond weer.
Maria staat in het hart van de heilsgeschiedenis. De oude liederen van haar volk zijn uitgemond in haar lied en haar Hooglied is het nieuwe lied geworden van de Kerk.
Als wij instemmen met Maria's lied, gaan wij staan in die stroom van heil, ontsprongen aan haar unieke begenadiging. Haar begenadiging omvat ons allen, zoals ook haar danklied ons allen insluit. Maria biedt aan het mensgeworden Woord de dankbaarheid en de vreugde van heel de schepping aan.
Maria, de nederigste onder de mensen, draagt het gebed van heel de Kerk. Altijd is Maria, oerbeeld en begin van de Kerk, de eerste in het lof- en dankgebed van het Godsvolk.
woensdag in week 8 door het jaar
1 Pet. 1, 18-25 / MC. 10, 32-45
Vandaag zegt Jezus tot ons: 'Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.'
Het grote voorbeeld van dienstbaarheid is de Heer zelf.
Spontaan gaan mijn gedachten naar het evangelie van Witte Donderdag. Daar lezen we dat Jezus neerknielt voor de leerlingen om hen de voeten te wassen. Gods Zoon, waar wij de neiging hebben om voor te knielen, knielt zélf neer om de voeten van zijn leerlingen te wassen. Wat een groot gebaar van God !
Jezus stelt zich bij de voetwassing niet enkel op als gelijke, maar als mindere.
Dat is het ware dienen, inwendig knielen voor élke mens. Niet enkel voor die mens waar we gevoelsmatig sympathie voor koesteren, maar voor élke mens, ook voor hem die we liever niet zouden zien.
Bij het binnengaan van een kerk knielen veel mensen opdat Jezus daar aanwezig in de eucharistie. Het is een mooi en zinvol gebaar.
Maar kunnen wij diezelfde eerbied ook opbrengen voor onze medemens ?
Kunnen wij inwendig knielen voor elke mens die God ons op ons levenspad brengt, zowel in onze daden als in ons gebed ?
Net zoals de Heer niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen, is ieder van ons geroepen niet om gediend te worden maar om te dienen. En dit met een oeverloos respect voor de ander, al was het maar omdat hij of zij ook een kind van God is.
Vandaag zegt Jezus tot ons: 'Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.'
Het grote voorbeeld van dienstbaarheid is de Heer zelf.
Spontaan gaan mijn gedachten naar het evangelie van Witte Donderdag. Daar lezen we dat Jezus neerknielt voor de leerlingen om hen de voeten te wassen. Gods Zoon, waar wij de neiging hebben om voor te knielen, knielt zélf neer om de voeten van zijn leerlingen te wassen. Wat een groot gebaar van God !
Jezus stelt zich bij de voetwassing niet enkel op als gelijke, maar als mindere.
Dat is het ware dienen, inwendig knielen voor élke mens. Niet enkel voor die mens waar we gevoelsmatig sympathie voor koesteren, maar voor élke mens, ook voor hem die we liever niet zouden zien.
Bij het binnengaan van een kerk knielen veel mensen opdat Jezus daar aanwezig in de eucharistie. Het is een mooi en zinvol gebaar.
Maar kunnen wij diezelfde eerbied ook opbrengen voor onze medemens ?
Kunnen wij inwendig knielen voor elke mens die God ons op ons levenspad brengt, zowel in onze daden als in ons gebed ?
Net zoals de Heer niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen, is ieder van ons geroepen niet om gediend te worden maar om te dienen. En dit met een oeverloos respect voor de ander, al was het maar omdat hij of zij ook een kind van God is.
dinsdag in week 8 door het jaar
1 Pet. 1, 10-16 / Mc. 10, 28-3
Vandaag zegt Jezus: 'Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven.'
Vraag is: staat God centraal in ons leven ?
Zo ja, dan is alles onderhevig aan het volbrengen van Gods wil. We hoeven broers, zussen, ouders, kinderen, daarom niet te gaan verloochenen alsof ze geen familie zouden zijn waarvoor we geen zorg zouden moeten voor dragen. Zelfs in aardse bezigheden (ons werk bijvoorbeeld) of zelfs het ter harte nemen van aardse goederen (zoals bijvoorbeeld ons huis) kunnen of moeten we onze verantwoordelijkheid blijven dragen.
Maar vraag is: krijgt God in al deze relaties en omgaan met de dingen de plaats die Hij toebehoort... Beleven we al deze dingen in Gods licht, of mag Hij er enkel bij wanneer het ons goed uitkomt.
Wie familierelaties onderhoudt in Gods licht, wie zijn werk doet vanuit Hem, wie zijn huis beheert als in de diepte niet van hem, beleeft deze dingen heel anders dan wie al deze dingen beleeft los van God.
Het gaat erom te leven omwille en vanuit de Blijde Boodschap. Wie dit klaar speelt ontvangt diep in zichzelf het echte leven, het echte geluk; een roestvrij geluk waar geen mot bij kan en dat geen dief roven kan. Het is een ander soort geluk dan dat soort geluk dat verbonden is met tijdelijke goederen. Het kent iets van een ontuitsprekelijke blijdschap.
Het is alsof nu reeds de hemel op een kiertje open gaat, ja hier al op aarde. Nu reeds mogen we iets van die hemelse vreugde proeven.
Maar, daarvoor zullen we God de plaats moeten geven die Hij toebehoort, als centrum van ons bestaan.
Nog even dit: wie deze weg gaat, zo zegt het evangelie ons vandaag, kan met vervolging te maken hebben. Wie de weg van de Heer gaat, wie de weg des levens rechtvaardig bewandelt,... ja, die zal tegenkanting ervaren. In onze huidige samenleving vraagt het soms moed om de weg van het evangelie te gaan. Maar weet dat je deze weg niet alleen gaat; Hij die ons deze weg is voorgegaan is met ons, zoals Hij beloofd heeft. En als één iemand trouw is aan wat hij belooft heeft dan is Hij dat wel. Dus: geen nood, je bent in goed gezelschap.
Laten we in dat gezelschap blijven. Da's veilig en uiteindelijk goed voor iedereen.
Vandaag zegt Jezus: 'Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven.'
Vraag is: staat God centraal in ons leven ?
Zo ja, dan is alles onderhevig aan het volbrengen van Gods wil. We hoeven broers, zussen, ouders, kinderen, daarom niet te gaan verloochenen alsof ze geen familie zouden zijn waarvoor we geen zorg zouden moeten voor dragen. Zelfs in aardse bezigheden (ons werk bijvoorbeeld) of zelfs het ter harte nemen van aardse goederen (zoals bijvoorbeeld ons huis) kunnen of moeten we onze verantwoordelijkheid blijven dragen.
Maar vraag is: krijgt God in al deze relaties en omgaan met de dingen de plaats die Hij toebehoort... Beleven we al deze dingen in Gods licht, of mag Hij er enkel bij wanneer het ons goed uitkomt.
Wie familierelaties onderhoudt in Gods licht, wie zijn werk doet vanuit Hem, wie zijn huis beheert als in de diepte niet van hem, beleeft deze dingen heel anders dan wie al deze dingen beleeft los van God.
Het gaat erom te leven omwille en vanuit de Blijde Boodschap. Wie dit klaar speelt ontvangt diep in zichzelf het echte leven, het echte geluk; een roestvrij geluk waar geen mot bij kan en dat geen dief roven kan. Het is een ander soort geluk dan dat soort geluk dat verbonden is met tijdelijke goederen. Het kent iets van een ontuitsprekelijke blijdschap.
Het is alsof nu reeds de hemel op een kiertje open gaat, ja hier al op aarde. Nu reeds mogen we iets van die hemelse vreugde proeven.
Maar, daarvoor zullen we God de plaats moeten geven die Hij toebehoort, als centrum van ons bestaan.
Nog even dit: wie deze weg gaat, zo zegt het evangelie ons vandaag, kan met vervolging te maken hebben. Wie de weg van de Heer gaat, wie de weg des levens rechtvaardig bewandelt,... ja, die zal tegenkanting ervaren. In onze huidige samenleving vraagt het soms moed om de weg van het evangelie te gaan. Maar weet dat je deze weg niet alleen gaat; Hij die ons deze weg is voorgegaan is met ons, zoals Hij beloofd heeft. En als één iemand trouw is aan wat hij belooft heeft dan is Hij dat wel. Dus: geen nood, je bent in goed gezelschap.
Laten we in dat gezelschap blijven. Da's veilig en uiteindelijk goed voor iedereen.
Pinkstermaandag
Hand. 19, 1-6 / Joh. 14, 15-17
De overweging van vandaag is van de hand van J. Bots, sj
Wat een verschil of je weet dat de heilige Geest bestaat of niet, of de heilige Geest voor jóu bestaat of niet!
Het is een wereld van verschil!
Er vindt een substantieverandering plaats wanneer wij ons door de heilige Geest laten leiden en leven volgens de heilige Geest. Het is dezelfde substantieverandering die plaats vindt wanneer de heilige Geest over brood en wijn wordt afgesmeekt en beiden op kracht van de heilige Geest veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus.
Dát is de uiteindelijke verandering die er plaats vindt wanneer mensen zich door de heilige Geest laten leiden: zij leven in de gezindheid van Jezus Christus.
De overweging van vandaag is van de hand van J. Bots, sj
Wat een verschil of je weet dat de heilige Geest bestaat of niet, of de heilige Geest voor jóu bestaat of niet!
Het is een wereld van verschil!
Er vindt een substantieverandering plaats wanneer wij ons door de heilige Geest laten leiden en leven volgens de heilige Geest. Het is dezelfde substantieverandering die plaats vindt wanneer de heilige Geest over brood en wijn wordt afgesmeekt en beiden op kracht van de heilige Geest veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus.
Dát is de uiteindelijke verandering die er plaats vindt wanneer mensen zich door de heilige Geest laten leiden: zij leven in de gezindheid van Jezus Christus.
Abonneren op:
Berichten (Atom)