vrijdag in week 1 door het jaar

Voor welk koningschap kiezen wij?

Tekst overweging: Kris

In de eerste lezing zien we hoe het volk Israël aandringt op een koning. Men wil gelijk zijn aan de naburige volken, met een zichtbare leider die orde schept en zekerheid biedt. Daarbij lijkt men blind te zijn voor wat men al ontvangen heeft: Samuel, geroepen en gezonden door God, een man die het volk jarenlang met wijsheid en toewijding heeft geleid. Toch kiest men voor iets anders, voor een ander soort koning. God, zo lezen we, respecteert hun vrijheid, en het volk krijgt de koning waarvoor het kiest.

Dit zegt iets fundamenteels over de vrijheid die de mensheid in zich draagt, een vrijheid die als een rode draad door heel de Bijbel loopt. Van in den beginnen heeft God de mens vrijheid gegeven. Hij geeft opdrachten, aanwijzingen en toont richtingen, maar de mens blijft in dit alles vrij. Hoe dat kan aflopen, leert ons het verhaal van Adam en Eva in het paradijs, die aten van de boom van kennis van goed en kwaad, terwijl hun nadrukkelijk was gevraagd dit niet te doen. De mens is vrij en God respecteert dat. Hij heeft de mens vrij geschapen. Zonder die vrijheid zou er geen liefde mogelijk zijn. We zouden poppetjes zijn aan touwtjes geleid door God. Dat is geen liefde. Liefde is in wezen vrij. Neem die vrijheid weg en liefde wordt onmogelijk.

Vandaag horen we vaak de vraag waarom God niet ingrijpt in een wereld waar zoveel fout loopt, een wereld waarin oorlog, onrecht en geweld blijven voortduren. Voor sommige mensen is dit zelfs een reden om God en Kerk de rug toe te keren. Maar de vraag is of dat werkelijk de manier is waarop Gods macht werkt. Veel ellende vindt haar oorsprong in menselijke keuzes, in honger naar macht, bezit en grondgebied. Gods macht bestaat er niet in om dit zomaar op te heffen, maar om de mens van binnenuit te vormen tot zijn liefde, zodat de mensen al deze ellende zichzelf en anderen niet zouden aandoen.

Die vrijheid die God geeft, betekent echter niet dat Hij de mensheid zomaar aan haar lot overlaat. Dat hebben we opnieuw mogen zien en vieren met Kerstmis. In Jezus is God zelf mens geworden, is Hij afgedaald naar deze wereld en heeft Hij getoond wat waar koningschap betekent. Het werd een Koning die niet heerst door macht of geweld, maar door dienstbaarheid. Hij knielt voor mensen, wast hun voeten, zoekt wie verloren is, roept op tot vergeving, zet aan tot delen en tot zorg voor wat broos is. Zijn weg is een weg van liefde, verzoening en vrede. De vraag die uit de eerste lezing van vandaag naar voren komt, blijft daarom zeer actueel: welke koning willen wij? Welke koning laten wij toe in ons hart en in ons leven?

In het evangelie van vandaag ontmoeten we die Koning heel concreet als Genezer. Jezus vergeeft zonden in naam van God en herstelt een verlamde mens. Voor de aanwezige schriftgeleerden is dat onaanvaardbaar. Ze volgden alles nauwlettend op, maar bleven blind voor wie Jezus werkelijk was en is. Net als het volk in de tijd van Samuel herkenden zij de gave niet die voor hen stond: iemand die gezonden is door God, het handelen van God zelf in hun midden.

Nogmaals de vraag: ontvangen wij Jezus zoals Hij gezonden is? Laten wij toe dat Hij voor ons knielt, ons reinigt, ons vergeeft en ons opnieuw rechtop zet? Mag Hij richting geven aan ons leven en het levende Hart zijn van ons bestaan?

Tenslotte nog iets over de dragers van de verlamde. Het is een sterk en veelzeggend beeld. Zij nemen verantwoordelijkheid voor iemand die zichzelf niet tot bij Jezus kan brengen. Ze laten zich niet tegenhouden door obstakels en zoeken creatief en hoopvol naar een weg. In wat zij doen mogen wij ons spiegelen in de manier waarop wij als Kerk omgaan met mensen die niet alleen verlamd zijn, maar ook geen wegen vinden om de Heer te ontmoeten. Dragen wij als Kerk – en dat hoeft geen hoogmoedige gedachte te zijn – de mensheid? Zijn we bereid buiten onze eigen grenzen te treden en allen te zien als onze broers en zussen, voor wie we ons eigen leven op het spel zetten? Zijn we bereid creatief te zijn in verkondiging en naastenliefde? Of hebben we eerder de neiging om te cocoonen, binnen onze eigen veilige leefwereld met gelijkgezinden? Zijn we als Kerk bereid naar de periferiën van onze samenleving te trekken om daar de Heer aanwezig te brengen, niet opdringerig, altijd de vrijheid van de mens respecterend, maar wel bewust van onze zending en roeping? En als we dit doen, doen we het dan vanuit de Heer die ons bewoont?

Hier tekent zich af wat Kerk kan en mag zijn: mensen die elkaar en allen dragen en zo wegen openen naar Christus. In die weg wordt zichtbaar welk koningschap écht leven wekt.

Laten we bidden

God,
geef dat wij als Kerk
mensen mogen dragen
die zelf geen weg meer zien.
Maak ons aandachtig,
creatief en volhardend,
opdat wij wegen
mogen openen naar U.
In Christus, onze Heer.
Amen.

Geliefde mensen, mogen wij de vrijheid die ons is toevertrouwd laten uitgroeien tot liefde die draagt, dient en leven wekt.
Een mooie dag voor ieder van jullie.
kris


Om mee op weg te gaan

Hoe ga ik om met de vrijheid die mij is toevertrouwd? Laat ik toe dat God mij daarin mag leiden? Mag mijn vrijheid een bedding zijn waarin Gods wil kan groeien en gestalte krijgen? Ben ik bereid dit alles biddend voor de Heer neer te leggen, in de liefde van zijn Geest? Laat ik toe dat de Heer door mij heen tot leven komt?

Ben ik bereid mijn eigen comfortzone te verlaten en het broze in onze samenleving op te zoeken, om daar Gods liefde zichtbaar te maken? Ben ik bereid anderen te dragen en hen te begeleiden op hun weg naar de Heer?

Reacties

  1. bij mij om de hoek is een groot gezondheidscentrum met oa een revalidatiekliniek en een verpleeghuis. een paar keer per week ga ik naar de ontvangsthal voor gasten waar tafels staan en een koffieautomaat en waar ook bewoners naar toe komen om er even uit te zijn. ik kom daar niet 'het geloof' brengen, daar hebben de meesten, oud en verkreukeld, geen behoefte aan. waar ze wel behoefte aan hebben is een beetje aandacht, een gesprekje, een bemoediging, een lach. voor mijzelf betekent dit dat ik 'hen begeleid op hun weg naar de Heer'.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. De vrijheid die mij is toevertrouwd vind ik niet gemakkelijk. Voor ik het weet, zit ik op een dwaalspoor of laat ik me te zeer leiden door wat in me opkomt i.p.v. doordacht vanuit mijn geloof te handelen. Dit betekent voor mij dat ik me nog meer dan nu me dagdagelijks in gebed en stilte me moet richten tot God. Ook al weet ik dat Hij mij wil leiden, hoe komt het toch dat ik dan hiervoor te weinig tijd voor maak?

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten