4e zondag in de veertigdagentijd C
BARMHARTIGHEID ALS ANTWOORD OP VERLORENHEID
De parabel van de verloren zoon is niet enkel een verhaal over een berouwvolle jongen die terugkeert, maar ook over een vader die nooit is opgehouden lief te hebben. Die zich niet laat tegenhouden door trots of fatsoen, maar rent en omhelst omdat zijn kind weer thuis komt. Geen voorwaarde, geen ondervraging, geen straf. Alleen de vreugde om wat teruggevonden is.
In die vader wordt zichtbaar wie God is. Barmhartigheid is geen toegift voor wie zich eerst bewijst. Ze is het antwoord van God op verlorenheid. De Persoon die deze parabel vertelt, is dezelfde die aan het kruis bidt voor zijn beulen. In Hem is Gods barmhartigheid niet enkel woord, maar vleesgeworden werkelijkheid.
We lezen het vandaag bij Paulus in zijn brief aan de Korintiërs: “God heeft in Christus de wereld met zich verzoend.” Niet met theorieën of wetten, maar door Zichzelf te geven. Door zich te verbinden met ons bestaan tot in de diepte van de zonde en de dood. Een nieuwe schepping, zoals Paulus het zegt.
Deze verzoening mag niet in een kluis bewaard worden. “Ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd”, lezen we vandaag in geen mis te verstane woorden bij Paulus. Wie leeft van verzoening, moet ze doorgeven. Niet vrijblijvend, niet naar keuze, maar als kern van ons christen-zijn.
De Kerk leeft niet uit zichzelf. Ze bestaat niet voor zichzelf. Ze is geroepen om, vanuit haar hart - dat Christus is -, een zichtbaar teken te zijn van Gods barmhartigheid.
Een zelfgenoegzame Kerk mist haar zending. Ze mag niet op zichzelf geplooid zijn. Ze moet naar buiten treden met haar Blijde Boodschap: Gods barmhartigheid voor elk mensenkind. Barmhartigheid is geen randzaak, geen bijkomstigheid, maar het is de kern van het evangelie.
De Kerk heeft geen ander bestaansrecht dan het belichamen van Gods barmhartigheid in deze wereld. Zonder barmhartigheid verliest ze haar ziel. Het zou zichtbaar moeten zijn in alles wat zij zegt, doet en viert.
Paus Franciscus herhaalt het keer op keer: de Kerk moet naar de periferie. Naar de grenzen van de samenleving. Naar de plaatsen waar niemand nog durft hopen, waar het vuil is, rauw en echt. Daar moet ze zijn. Met opgestroopte mouwen. Met een nabijheid die geen voorwaarden stelt.
Er is geen toekomst voor een Kerk die zich terugtrekt in het vertrouwde. Er is enkel toekomst voor een Kerk die opnieuw ja zegt op haar roeping. Om te verzoenen, om nabij te zijn, om te beminnen waar geen liefde is. Niet omdat Rome dat in mooie verwoordingen zou hebben uitgevonden, maar omdat het haar is toevertrouwd. En haar - de Kerk dus - dat zijn wij allemaal. Niemand kan zich van deze verantwoordelijkheid onttrekken.
De Vader staat nog altijd op de uitkijk. De Zoon is de Brug. De Geest duwt vooruit. Laten we als Kerk dan ook Kerk zijn. Zoals ze bedoeld is. Zoals ze gezonden is. Zoals haar opdracht vraagt, midden in een vaak gewonde wereld.
Lieve mensen, het is lente. De komende dagen wordt het zonnig lenteweer. Kijk naar de bomen, kijk naar de bloemen. De aarde opent zich van binnenuit voor het licht. Laten ook wij ons als Kerk openen, ontluiken in barmhartigheid – niet naar binnen gekeerd, maar naar buiten gericht, vol vertrouwen dat Gods Geest nieuwe bloei tot stand brengt. Waar liefde gedeeld wordt, groeit nieuw leven.
En tot slot: laten we ten diepste blij en dankbaar zijn wanneer iemand zijn weg naar God terugvindt. Laten we niet vervallen in de kramp van de oudste zoon, die – ondanks zijn trouw – het hart van zijn vader niet deelde. Laten we blij zijn en feestvieren om ieder die thuiskomt.
Laten we bidden
Heer,
Gij hebt ons, als Kerk, geroepen
om te zoeken wat verloren is
en leven te brengen waar donkerte heerst.
Moge uw Geest in ons werkzaam zijn
opdat barmhartigheid geen woord blijft,
maar gestalte krijgt in wie wij zijn
en hoe wij handelen.
Wek in ons het besef
dat wij dragers zijn van uw genezende liefde,
gezonden om te beminnen
daar waar het niet meer verwacht wordt.
Maak ons tot getuigen van het evangelie;
eenvoudig, moedig en trouw,
diep verankerd in het hart van de Kerk.
In Christus, onze Heer.
Geliefde mensen, laat ons de liefde bezingen, alle dagen van ons leven.
Een mooie zondag,
kris
Om mee op weg te gaan
De parabel van de gevonden zoon laat zien hoe diep Gods barmhartigheid reikt en hoe wij geroepen zijn om daarvan een levend teken te zijn. In een wereld vol gebrokenheid klinkt die roeping des te dringender. Wat zou jouw eigen, misschien kleine maar waardevolle bijdrage daarin kunnen zijn?
mij ontfermen over de verloren zoon in mijzelf?
BeantwoordenVerwijderen"Ja zeker ook Stefan ! voor mij is het ook soms de houding van de 'oudste zoon ¨(of dochter )
BeantwoordenVerwijderen"Bemin je naaste gelijk jezelf om God !"
Het gebeurt soms dat ik met Zijn Liefde de naasten kan vergeven en terug liefhebben !
Ja dàn is het vreugde diep in mijn hart !!
Hier kunnen wij wel getuigen over de VERMETELHEID van GOD.
BeantwoordenVerwijderenKunnen wij dit wel als mensen evenaren ? misschien niet .
God liefhebben is doen,in oprechtheid
BeantwoordenVerwijderen