zondag 2 in de veertigdagentijd A
Gezien, vervuld, gezonden
Tekst overweging: Kris
In het evangelie van vandaag beleven Petrus, Jakobus en Johannes op de berg Tabor de zogenaamde transfiguratie van de Heer. Voor hun ogen verandert Hij van gedaante: zijn gelaat straalt als de zon en zijn kleren worden wit als het licht. In die schittering wordt zichtbaar wie Hij ten diepste is. Deze openbaring is een voorafbeelding van zijn Pasen en een versterking voor de leerlingen op weg naar het lijden. Mozes en Elia verschijnen en spreken met Hem – de Wet en de Profeten die in Hem hun vervulling vinden. Het is een moment van licht en heerlijkheid, van vrede en vreugde, van het mogen proeven van de hemel. Die ervaring willen de drie leerlingen niet kwijt; zij willen haar vasthouden. Petrus verwoordt dat verlangen: "Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt zal ik hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia."
Petrus was nog niet uitgesproken of een stralende wolk overschaduwde hen waaruit de stem klonk van de Vader: “Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!”, waardoor zij bevangen worden door een diepe huiver en zich angstig ter aarde werpen. De nabijheid van Gods majesteit maakt hen klein. Maar Jezus komt naar hen toe, raakt hen aan en zegt: “Sta op, wees niet bang.” Dat “sta op” richt hen op uit hun angst en zet hen opnieuw op weg. Hij laat hen niet in de huiver achter, maar neemt hen mee de berg weer af.
Zoals de leerlingen vóór hun angst het hemels licht mochten aanschouwen en daarin vreugde vonden, zo kennen ook wij in de eucharistieviering een ogenblik dat daaraan verwant is. Het is het moment van de zogenaamde elevatie: het opheffen van de hostie door de priester, vlak na de consecratie. Wat we daar mogen aanschouwen is Christus in al zijn glorie, een letterlijk schitterend moment in de viering. Wanneer we daar ten diepste in zouden opgaan, zouden ook wij – bij wijze van spreken – onze tenten willen opslaan om bij dit moment te blijven, om het vast te houden.
Maar dat is niet de realiteit van het leven. Weldra is de misviering afgelopen en keren we huiswaarts. Zoals Jezus met de drie leerlingen de berg weer afdaalde, zo worden ook wij aan het einde van de viering door de priester gezonden om het dagelijks leven opnieuw op te nemen.
Mooi is dat we niet met lege handen worden weggestuurd. We zijn vervuld met de Heer: met zijn Woord, met de Communie, met zijn aanwezigheid in ons samen bidden en zingen. In de liturgie wordt de hemel als het ware vlees en bloed aan ons gegeven. Wanneer we de viering verlaten, dragen we God zelf met ons mee. We staan niet langer in het hart van de zichtbare schittering, maar we vertrekken met een hart dat vervuld is van Hem.
In het evangelie lezen we dat de leerlingen na het visioen niemand meer zagen dan ‘Jezus alleen’. Dat kan na zo’n overweldigend moment mager klinken. Toch was de Heer bij zich hebben voor hen de volheid dragen van wat zij zojuist hadden aanschouwd. De Heer immers is geen magere melk, ook geen halfvolle. Hij is vólle melk, de crème de la crème.
Ook wij dalen na de viering de berg van het leven weer af, met 'alleen' de Heer. Zoals gezegd: dat is allesbehalve mager. Het is vol. Hij gaat met ons mee, blijvend bij ons, vierentwintig uur op vierentwintig, zeven dagen op zeven. Of we nu waken of slapen, werken of ons ontspannen, zorg dragen voor anderen of in stilte bidden, Hij is bij ons. Niet enkel in de jeugd of in de sterke jaren van ons leven, ook in de broosheid van de gouden leeftijd, tot aan onze laatste adem blijft Hij nabij. In Hem vinden we onze kracht. Van Hem ontvangen we genade, in Hem mogen we zijn liefde belichamen in wat we doen en in wie we zijn.
In Christus worden we dus op het einde van een eucharistieviering gezonden naar de alledaagsheid van het bestaan. Daar wachten mooie momenten en vreugdevolle perioden, maar ook lastigheden, lijden, broosheid en onafwendbaarheid. Juist daar zal het moeten gebeuren. Naar die wereld worden we gezonden: om Gods liefde te zijn, om te verkondigen door daad en woord, door engagement en door onszelf aan elkaar te schenken.
Het zou toch jammer zijn mocht de eucharistieviering een eiland blijven in ons leven, een glorieus moment los van het dagelijkse bestaan. De bedoeling is dat de mis – met de Communie, het Woord en het samen bidden – het hart vormt van ons christelijk leven. In de eucharistieviering worden we even – in tijd althans – weggetrokken uit het alledaagse, opdat het leven van Christus ons leven en de wereld waartoe we gezonden zijn, zou doordringen.
Het is zoals in de eerste lezing: Abraham wordt gezonden nadat hij is aangesproken, om anderen tot zegen te zijn. Zo worden ook wij na de viering gezonden naar ons dagelijks leven en worden we gezegend om anderen tot zegen te zijn.
Laten we bidden
Vader in de hemel,
U wijst ons uw geliefde Zoon aan.
Open ons hart om naar Hem te luisteren.
Voed ons aan zijn tafel
met uw Woord en zijn Lichaam.
Wanneer wij weer het gewone leven ingaan,
wil ons dan dragen en behoeden.
Moge wat wij vieren
vrucht dragen in ons leven.
In Jezus’ naam.
Amen.
Geliefde mensen, moge ons hart geworteld zijn in Christus.
Een vreugdevolle zondag,
kris
Om mee op weg te gaan
Heb je ook wel eens de neiging om je tenten op te slaan op een Taborberg, om momenten vast te houden waarin je de Heer zo sterk hebt ervaren? Misschien uit vrees de vreugde van zijn nabijheid te verliezen, misschien ook omdat je wat opziet tegen de lastigheden van het dagelijks bestaan, tegen wat het leven van je vraagt en de zorgen die het met zich meebrengt. Het is menselijk.
En toch… onze weg loopt niet boven op de berg, maar naar beneden, het gewone leven in. Weet dat de Heer met je meegaat, zoals Hij met de leerlingen meeging toen zij na het visioen de berg afdaalden.
Wortel je in Hem. Laat Hem je grond en je draagkracht zijn, zodat wat je boven op de berg mocht ontvangen, vrucht kan dragen midden in het alledaagse.
Reacties
Een reactie posten